Home
Havensports
view counter
» Bulletin nummer 11

De vrije worp

door de technische commissie

1. Inleiding

Dit spelregelbulletin gaat over de vrije worp. De nadruk ligt op die situaties, waarin het spel met een vrije worp moet worden hervat En dus gaat dit bulletin ook over spelovertredingen. Want zonder spelovertredingen geen vrije worp.

Over de vrije worp is de Laatste jaren veel te doen geweest: sinds 1993 zijn er maar liefst vijf spelregelwijzigingen geweest waarbij de vrije worp steeds was betrokken. De belangrijkste wijziging is op 1 juli 1997 ingevoerd: om de snelheid bij het nemen van een vrije worp te bevorderen zijn toen dwingende bepalingen opgenomen. De essentie was en is nog steeds:

  • de verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de voorwaarden voor het nemen van een vrije worp ligt geheel bij de spelers;
  • wie niet tijdig aan de voorwaarden voldoet wordt bestraft;

Strengheid In de aanval; soepelheid in de verdediging ten aanzien van de toepassing van de regel.

Het spelregelbulletin Nr.5, dat over de vrije worp gaat, dateert van september 1982 en is sterk verouderd. De huidige regeling betreffende de vrije worp is uitgebreid, ingewikkeld en staat verspreid in het spelregelboekje. Vandaar dat de technische commissie gemeend heeft een nieuw bulletin aan dit onderwerp te wijden.

Algemeen

Volgens ' 8c van de spelregels geeft de scheidsrechter kennis van o.a. het onderbreken en hervatten van het spel door een fluitsignaal. Onderbreken van het spel is onder meer vereist:

  • indien onbillijke bevoordeling is geconstateerd;
  • indien een overtreding moet worden bestraft.

Bij het hervatten van het spel fluit de scheidsrechter zodra de speler, die de worp neemt gereed staat en aan alle eisen van ' 19 (vrije worp) en ' 20 (strafworp) voldoet.

Bij onbillijke bevoordeling laat de scheidsrechter het spel hervatten, nadat hij de situatie naar billijkheid heeft laten herstellen (door de bal te geven aan wie er recht op heeft of door een scheidsrechtersworp te geven als niemand er recht op heeft). Het spel wordt "normaal" hervat, dus niet met een vrije worp, immers, van een overtreding is geen sprake. Als een verdediger na het fluitsignaal zijn verdedigende taak verwaarloost mag de aanvaller schieten. Geeft de scheidsrechter een scheidsrechtersworp, dan mag de aanvaller direct na ontvangst van de bal schieten mits hij voldoende vrij staat (de verdediger voldoet niet aan de eisen, als gesteld in ' 16n).

Bij een spelovertreding ze zijn vermeld in §16 -- of een uitbal (§17) krijgt de tegenpartij een vrije worp. Let op: dit is een verplichting:

  • De scheidsrechter bestraft de overtredingen. zo staat er in § 8b;
  • Na een door de scheidsrechter gesignaleerde overtreding (§16) en uitbal (§17) krijgt de tegenpartij een vrije worp".

Deze verplichting wordt opgeheven wanneer bestraffing in het nadeel is van de niet overtredende partij. In dat geval kan de scheidsrechter besluiten een overtreding niet te bestraffen. Dit is de voordeelregel (§ 8b).

Voor alle duidelijkheid: de voordeelregel geldt alleen voor §16 en niet voor §17

De scheidsrechter moet dus afwegen of hij wel of niet zal fluiten. Daarbij mag het vermeende nadeel, dus ook de plek waar de overtreding wordt begaan, meespelen. Ook preventie overwegingen mogen een rol spelen. Als de scheidsrechter om die reden behoefte heeft spelers duidelijk te maken: tot hier en niet verder, dit is mijn grens" dan mag hij fluiten ondanks dat er wellicht nadeel ontstaat voor de niet-overtredende partij, meestal de aanvaller. Dit nadeel weegt dan niet op tegen het psychologisch effect van de preventieve maatregel: het fluiten. Fluit de scheidsrechter, dan kent hij een vrije worp of een strafworp toe, afhankelijk van wat er is gebeurd.

Na een fluitsignaal! kunnen in beginsel geen overtredingen meer worden gemaakt, behalve als er is gefloten voor een vrije worp, dan kunnen in bepaalde gevallen wel overtredingen worden gemaakt en bestraft.

Vrije worp.

Een vrije worp is de straf voor de partij die een overtreding begaat en de beloning voor de andere partij. Er zij 21 spelovertredingen mogelijk. In alle gevallen kent de scheidsrechter bij het vaststellen van een overtreding een vrije worp toe aan de andere partij.

Een vrije worp is een vrije worp. Een indirecte vrije worp, zoals vaak via de radio valt te horen bestaat niet. Er zijn twee soorten" vrije worpen:

de "echte" vrije worp, zoals beschreven in §19;

de strafworp (§ 20). De strafworp is een vrije worp met het recht (geen plicht) op scoren. Een aantal bepalingen van de vrije worp is niet van toepassing:

  1. de afstand van de strafworpnemer ten opzichte van de overige spelers is anders geregeld;
  2. de vier seconden regel is niet van kracht. Dit betekent dat de nemer van de strafworp langer mag wachten maar niet ongelimiteerd: er komt een moment dat de scheidsrechter het ophouden van het spel mag vinden, hetgeen een overtreding is (§ 16g);
  3. inlopen is eerst toegestaan nadat de bal de handen van de strafworpnemer heeft verlaten;
  4. de mede - aanvallers behoeven onderling geen 2.50 m in acht te nemen.

Daarnaast zijn er nog twee worpen, die geen vrije worp zijn omdat er geen overtreding aan vooraf zijn gegaan, maar we verwantschap hebben met een vrije worp: de uitworp (§ 15), waarvoor dezelfde bepalingen gelden en de uitbal (§17), waarbij wordt gehandeld alsof de partij, die de bal het laatst heeft aangeraakt, een overtreding heeft begaan.

Procedure vrije worp

Een vrije worpprocedure kent drie FASEN.

FASE 1:

vanaf het moment van fluiten voor de vrije worp tot het moment, dat de scheidsrechter arm en hand met vier vingers opsteekt.

Tijdens deze fase kan alleen § 16g onder 2, 3 en 5 worden overtreden. Dit zijn:

  1. treuzelen bij het gereedmaken voor een vrije worp door wie dan ook
  2. het voorkomen door een aanvaller van het nemen van een vrije worp door een verdediger;
  3. de bal ver buiten het veld werpen of schoppen als het spel onderbroken is;
  4. treuzelen bij het vervangen van een speler, wisselen van vak en het weer opstellen na een time-out. Is dit het geval dan geeft de scheidsrechter direct een vrije worp aan de tegenpartij. Bij herhaling van zo'n overtreding door een verdediger kan de scheidsrechter zelfs een strafworp toekennen wegens belemmeren van het verwerven van scoringskansen (§ 20a, toelichting B). Formeel hoeft de scheidsrechter niet te fluiten, immers, het spel is al onderbroken; dit kan echter tot verwarring leiden. Vandaar dat de technische commissie van mening is dat de scheidsrechter wel fluit, maar dan twee keer kort achter elkaar: a en keer voor hervatting van het spel en de tweede keer voor het onderbreken wegens het constateren van de overtreding. Dit is veelal duidelijker, geeft geen aanleiding tot misverstanden en de scheidsrechter kan direct aangeven waar de overtreding is gemaakt.

    Als na een doelpunt de bal ver buiten het veld wordt geworpen of geschopt of er wordt getreuzeld bij het wisselen van vak, dan volgt geen vrije worp maar gewoon de uitworp:§ 19a bepaalt nu eenmaal dat na een doelpunt het spel altijd wordt hervat met een uitworp. Er kan wel sprake zijn van wangedrag.

    FASE 2:

    de scheidsrechter heeft arm en hand met vier vingers opgestoken als teken dat hij binnen vier seconden zal fluiten voor het hervatten van het spel. Dit is de zogenaamde voorbereidingsfase.

    Gedurende deze voorbereidingsfase kan de scheidsrechter elke spelovertreding (§ 16) bestraffen, welke plaats in het veld dan ook begaan (dus ook in het andere vak!). Dit is een inbreuk op de algemene regel dat geen spelovertreding kan worden gemaakt als het spel onderbroken is. Opgelet: de scheidsrechter kan de overtreding bestraffen, zegt § 19c ; dat is weer een inbreuk op de eerder genoemde regel dat in beginsel een overtreding moet worden bestraft. De scheidsrechter heeft dus wat meer beleidsruimte en zal deze ook zeker nodig hebben.

    Voorbeelden:

    • op een voor de aanvallende partij aantrekkelijke plaats zal een vrije worp worden genomen. Elders in het vak (op een minder aantrekkelijke plaats) begaat een verdediger een overtreding. De scheidsrechter moet dan afwegen wat het beste is. In dit geval ligt het voor de hand dat hij niet optreedt en fluit want door het wel te doen benadeelt bij de aanvallende partij.
    • een vrije worp is aan een aanvaller toegekend. In het andere vak maakt een aanvaller (dus van de andere partij) een overtreding. Het is niet redelijk in dat vak de verdedigende partij een vrije worp te geven want daardoor moet deze partij de aantrekkelijke scoringspositie in de aanval opgeven. Niet doen dus. Niettemin is deze regel een uitkomst bij ernstige overtredingen, van wie of welke partij dan ook en gaat er een preventieve werking van uit. Voorbeeld; een vrije worp is aan een aanvaller toegekend. in het andere vak maakt een ploeggenoot, dus een verdediger, een overtreding (bijvoorbeeld het vastpakken of afhouden van zijn tegenstander bij het gevecht om de afvangpositie bij de paal). Het ligt voor de hand dat de scheidsrechter de toegekende vrije worp niet Iaat nemen maar een vrije worp toekent aan de aanvaller in het andere vak. De scheidsrechter doet er goed aan tijdens de voorbereidingsfase dus extra goed op te letten, overtredingen te constateren en af te wegen of moet worden opgetreden. Is optreden noodzakelijk, dan behoeft formeel niet te worden gefloten, omdat het spel al is onderbroken: de scheidsrechter geeft direct een vrije worp aan de tegenpartij. Dit kan wel verwarring in de hand werken: niet ieder zal onmiddellijk begrijpen wat er aan de hand is.

    De technische commissie is van mening dat de scheidsrechter dient te fluiten, maar dan twee keer kort achter elkaar zoals onder FASE 1 is beschreven.

    De uitwerking van FASE 2 is vermeld onder punt 7: nemen van een vrije worp.

    NB: in de toelichting op § 19a staat: 'Nadat het spel is gestopt door een fluitsignaal van de scheidsrechter is een overtreding van de spelregels, met uitzondering van ' 16g, toelichting 2, 3 en 5 niet meer mogelijk" Deze tekst is strijdig met hetgeen onder FASE 2 is vermeld en afkomstig is van § 19c; 'Gedurende de vier seconden voorbereidingstijd kan de scheidsrechter elke overtreding bestraffen. Aangezien de tekst van een spelregel van hogere orde is dan de tekst van een toelichting1 is § 19c van toepassing.

    FASE 3:

    na hervatting van het spel door een fluitsignaal dient de nemer van de vrije worp do bal uiterlijk binnen vier seconden de bal in het spel te brengen. Omdat bet spel is hervat gelden alle spelregels, dus ook § 16. In deze fase moeten dan ook in principe alle overtredingen worden bestraft. Uiteraard beziet de scheidsrechter of er aanleiding is de voordeelregel toe te passen.

    De uitwerking van FASE 3 is vermeld onder punt 7: nemen van een vrije worp.

    Verschillende overtredingen

    De spelregels maken in beginsel geen onderscheid in overtredingen. Wat te doen als er tegelijk twee spelovertredingen plaatsvinden? Voor de beantwoording van de vraag dient onderscheid te worden gemaakt tussen overtredingen tijdens het spel en overtredingen die te maken hebben met handelen in strijd met het innemen van een onjuiste afstand bij een vrije worp. In het eerste geval is van onderscheid in zwaarte van overtredingen geen sprake, in het midden latend of tijdens het spel twee overtredingen wel tegelijk kunnen plaatsvinden. In de praktijk levert dit nooit problemen op. Anders is het indien tegelijk onjuiste afstanden worden ingenomen door (uiteraard) meer dan een persoon. In dat geval zijn er drie situaties denkbaar.

    § 8b Bepaalt: "Wanneer twee overtredingen tegelijkertijd plaatsvinden, bestraft de scheidsrechter de belangrijkste overtreding". Vervolgens wordt een tweetal voorbeelden genoemd. Daarnaast wordt in §19c ook nog zo een voorbeeld aangehaald.

    De technische commissie is van mening dat de regel alleen van toepassing is op deze voorbeelden, omdat er geen andere te bedenken zijn.

    Deze situaties zijn:

    • §8b Gedurende de periode dat een vrije worp in het aanvalsvak wordt genomen bevindt een verdediger zich binnen 2.50 m afstand van de nemer van de vrije worp en staan tegelijk twee of meer medespelers van de nemer (onder de korf of bij de paal) binnen 2.50 m afstand van elkaar zonder dat zij daar voordeel uit willen halen.

    De spelregel bepaalt dat de eerste overtreding het belangrijkste is. Gevolg: vrije worp voor de aanvallende partij.

    • §8b en§19c Gedurende de periode dat een vrije worp in het aanvalsvak wordt genomen bevinden zich spelers van beide partijen op dezelfde onjuiste afstand van de nemer van de vrije worp.

    De spelregel bepaalt dat de overtreding van de aanvaller het belangrijkst is, omdat in verhouding de aanvaller het meeste voordeel heeft. Gevolg: vrije worp voor de verdedigende partij.

    • §19c Gedurende de periode dat een vrije worp wordt genomen (in welk vak dan ook), bevinden zich tegelijk spelers van beide partijen op verschillende plaatsen op een onjuiste afstand van de nemer van de vrije worp

    De spelregel bepaalt dat de speler wordt bestraft, die het dichtst bij de nemer van de vrije worp staat. Gevolg: vrije worp voor de andere partij.

    Plaats vrije worp

    Volgens § 19c wordt de vrije worp genomen op de plaats, waar de overtreding is begaan of op de plaats waar een overtreding jegens een persoon is begaan. Alle nieuwe vrije worpen, die het resultaat zijn van overtredingen bij het nemen van de eerste vrije worp worden echter genomen op de plaats van de eerste vrije worp (ongeacht of het de aanvallende of verdedigende partij is.

    Uiteraard worden vrije worpen, die voortkomen uit eerdere overtredingen (bijvoorbeeld tijdens FASE 2) tijdens de eerste of de nieuwe vrije worp, genomen op de plaats waarvoor de algemene regel geldt.

    Bij het aanraken van de bal, terwijl de speler de middenlijn raakt, wordt de vrije worp genomen in het andere vak vlakbij de plaats waar de middenlijn is geraakt.

    Bij het aanraken van de bal, terwijl een speler in het andere vak staat, is de plaats van de aanraking de plaats van de vrije worp.

    Bij een uitbal of bij overtredingen van § 16m (buiten het vak spelen) op of buiten de grens van het speelveld, wordt de vrije worp genomen buiten het veld, vak bij de zij - of achterlijn ter plaatse waar de bal of de overtredende speler de zij - of achterlijn heeft geraakt of overschreden.

    Als de bal de zoldering of een voorwerp boven het speelveld raakt wordt de vrije worp genomen bij een der lange lijnen het dichtst bij de plaats van het aanraken.

    nog enkele situaties:

    • Als de vrije worp wordt genomen voor het fluitsignaal moet hij worden overgenomen; bij herhaling kan de scheidsrechter een vrije worp toekennen aan de andere partij wegens ophouden van het spel (§ 16g).
    • Bij het toekennen van een vrije worp aan de verdedigende partij verdient het aanbeveling dat de scheidsrechter, om speeltijd te winnen, fluit om het spel te hervatten voordat de vier seconden voorbereidingstijd (FASE 2) voorbij zijn, mits hij er zeker van is dat de speler, die zich nog binnen de voorgeschreven afstand van 2.50 m bevindt, het nemen van de vrije worp niet zal belemmeren. Dit is dus een uitzondering op de regel dat het spel pas mag worden hervat als aan alle voorwaarden is voldaan
    • (§ 8c). Als blijkt dat de scheidsrechter de situatie verkeerd heeft ingeschat en dus in feite te vroeg heeft gefloten voor hervatting van het spel, wordt de vrije worp overgenomen.
    • Bij een uitbal staat de nemer op het moment van fluiten met de bal in zijn handen op de lijn. De worp moet worden overgenomen omdat de speler nog niet op de juiste plaats staat. Eigenlijk heeft de scheidsrechter te vroeg het spel hervat.
    • Bij een uitbal gaat de nemer met de bal in de handen op de lijn staan nadat de scheidsrechter heeft gefloten voor hervatting van het spel. De scheidsrechter kent de andere partij een vrije worp toe in het veld net naast de plek waar de speler op de lijn stond. Als een speler de bal bij een uitbal in een worp weer over een andere buitenlijn plaatst, kent de scheidsrechter een vrije worp toe aan de andere partij buiten het speelveld (uitbal), vlakbij de lijn waar de bal uit ging.
    • Als een speler de bal bij een uitbal zodanig werpt dat deze buiten het veld blijft, is er pas sprake van een overtreding als de bal de grond, een persoon of een voorwerp buiten het veld raakt. De vrije worp (uitbal) wordt dan door de tegenpartij genomen vlakbij de lijn waar dat aanraken ontstond.

    Nemen vrije worp

    Op het moment, dat de nemer van de vrije worp de bal in de hand heeft, of kan nemen, steekt de scheidsrechter een van zijn armen verticaal omhoog en geeft met vier vingers van zijn opgestoken hand het teken dat hij binnen vier seconden zal fluiten om het spel te hervatten.

    Dit is de zogenaamde voorbereidingsfase (FASE 2). Gedurende deze vier seconden kan de scheidsrechter elke spelovertreding bestraffen. Hij hoeft niet de vier seconden te wachten als hij meent dat alle spelers zich op de juiste afstand bevinden. De scheidsrechter dient stipt de hand te houden aan de bepalingen betreffende tijd en afstand. Op het moment, dat de hij zijn arm opsteekt, kan hij de spelers met een gebaar aangeven of zeggen, dat zij meer afstand in acht moeten nemen. Daaraan kunnen de spelers echter geen rechten ontlenen: de verantwoordelijkheid voor het innemen van de juiste afstand ligt bij hen. Het is uit den boze en in strijd met de spelregels als de scheidsrechter het niet zo nauw neemt met de afstand en de tijd: 2.50 m is 2.50 m en dus geen 2.40 m en vier seconden zijn er geen zeven. Hij Handelt ook volstrekt onjuist als hij FASE 1 gebruikt om uitgebreid de tijd te nemen voor het persoonlijk op afstand zetten van spelers of, nog erger, uit passen van 2.50 m. Scheidsrechters, die dit doen begrijpen niet wat er van hen verwacht mag worden.

    Uitgaande van het moment, dat de scheidsrechter van oordeel is dat de nemer van de vrije worp gereed is om deze te nemen (FASE 1 is afgerond), zijn daarna de volgende situaties mogelijk (FASE 2):

    1 Binnen vier seconden staan alle medespelers van de nemer en alle tegenstanders op de juiste

    afstand (ten minste 2.50 m). Dat betekent dat alle spelers op ten minste 2.50 m afstand staan en de medespelers van de nemer van de vrije worp ook onderling 2.50 m in acht nemen. De scheidsrechter moet, zodra bij dit constateert, fluiten. Vanaf dat moment vindt de vrije worp plaats. Komt na het fluiten een medespeler of een tegenstander van de nemer van de vrije worp te vroeg binnen de afstand, dan handelt de scheidsrechter overeenkomstig het vermelde onder 2 t/m 5.

    2. Na vier seconden staan een of meer medespelers van de nemer niet op 2.50 m afstand van de nemer dan wel ze nemen de onderlinge afstand van 2.50 m niet in acht

    De scheidsrechter fluit twee maal kort achter elkaar (eenmaal om het spel te hervatten en direct daarna weer om het spel te onderbreken) en kent een nieuwe vrije worp toe aan de tegenpartij op de plaats van de eerste vrije worp.

    3. Na vier seconden staan een of meer tegenstanders niet op 2.50 m afstand van de nemer

    De scheidsrechter fluit twee maal kort achter elkaar en kent een nieuwe vrije worp toe aan dezelfde partij op de plaats van de eerste vrije worp. Gebeurt bij deze nieuwe vrije worp hetzelfde, dan moet de scheidsrechter een strafworp toekennen. Daarbij maakt het niet uit welke verdediger binnen de voorgeschreven afstand staat: in ' 19c onder B wordt nadrukkelijk gesproken over "de verdediging" en niet over 'de verdediger".

    4. Na vier seconden staan tegelijk een medespeler en een tegenstander niet op 2.50 m afstand van de nemer.

    De scheidsrechter fluit twee maal kort achter elkaar. Staat een medespeler het dichtst bij de nemer, dan krijgt de tegenpartij een nieuwe vrije worp. Staat een tegenstander het dichtst bij, dan krijgt dezelfde partij een nieuwe vrije worp. Gebeurt het daarna weer: strafworp (zie punt 3). Staan beide spelers op dezelfde onjuiste afstand, dan wordt de aanvallende speler bestraft en krijgt de tegenpartij een nieuwe vrije worp. In alle gevallen is de plaats van de nieuwe vrije worp de plaats van de eerste vrije worp.

    5. Na vier seconden staat een tegenstander niet op 2.50 m afstand van de nemer en tegelijk staan medespelers van de nemer onderling op minder dan 2.50 m.

    De scheidsrechter fluit twee maal kort achter elkaar en geeft een nieuwe vrije worp aan de aanvaller. De overtreding van de tegenstander wordt het belangrijkst geacht. De plaats van de vrije worp is die van de eerste vrije worp. Zodra de vier seconden van de voorbereidingstijd (FASE 2) voorbij zijn hervat de scheidsrechter het spel met een fluitsignaal. Na dit fluitsignaal dient de nemer van de vrije worp de bal uiterlijk binnen vier seconden in het spel te brengen.

    (FASE 3). De bal is in het spel gebracht als:

    • een tegenstander de bal raakt of
    • een medespeler, die zich op ten minste 2.50 m afstand van de nemer van de vrije worp bevindt, de bal raakt of
    • de bal ten minste 2.50 m van de plaats van de vrije worp is gekomen, gemeten over de grond. Opgelet: slechts aan een voorwaarde behoeft te worden voldaan. Het is of/of en niet en/en.

    Wanneer mag men inlopen?

    Dat hangt er van af tot welke partij men behoort:

    Spelers van de tegenpartij mogen inlopen zodra de nemer van de vrije worp een beweging met de bal maakt of een duidelijk zichtbare beweging met een arm of been. Het doet er niet toe of de beweging leidt tot een worp of beperkt blijft tot een schijnbeweging. Uiteraard blijft voor de nemer van de vrije worp de eis gelden de bal uiterlijk binnen vier seconden in het spel te brengen. Loopt een tegenstander te vroeg in dan volgt een nieuwe vrije worp. Gebeurt daarna hetzelfde door dezelfde tegenstander of een van de andere verdedigers, dan moet een strafworp volgen. Loopt een tegenstander correct in, bijvoorbeeld omdat de nemer van de vrije worp de bal heeft bewogen, dan blijft de nemer verplicht de bal uiterlijk binnen vier seconden in het spel te brengen. Doet hij dat niet, dan krijgt de tegenpartij een vrije worp. Medespelers mogen pas inlopen als de bal in het spel is gebracht. Loopt een medespeler te vroeg in, dan krijgt de andere partij een vrije worp. De bal is dus niet in het spel gebracht als de nemer van de vrije worp de bal los laat. Voorbeeld: de bal overplaatsen van een hand op de ander; de bal in de lucht gooien en weer opvangen; de bal op de grond stuiten. Medespelers mogen dus niet inlopen. Tegenstanders wel, want de bal is bewogen.

    Uit een vrije worp (of uit de verdediging) mag wel worden geschoten, maar niet gescoord

    (§19c): een gemaakt doelpunt telt niet (§12c). Het verbod op scoren staat in § 16 p. Als het verbod wordt overschreden (de bal valt door de mand) volgt een vrije worp voor de verdedigende partij (bij scoren uit de verdediging: voor de andere partij) op de plaats, waar de scorende speler stond. Nog enkele situaties:

    1. Wat is een afstand van 2.50 m? Dat is meten over de grond; van voet tot voet dus. Alleen de scheidsrechter bepaald wat 2.50 m is. Hij moet streng zijn. Niet meer, maar zeker niet minder. Hij moet heel goed kunnen inschatten wat 2.50 m is; een goed scheidsrechters oog heeft daar geen moeite mee. Er zijn echter scheidsrechters die zo'n oog wel hebben maar weigeren er gebruik van te maken. Met andere woorden: zij zijn tolerant, nemen het niet zo nauw of nog erger, nemen bewust genoegen met een andere afstand, die dan (beduidend) minder is dan 2.50 m. Zelfs op het hoogste niveau wordt soms met 2.40 m akkoord gegaan. Dit is niet alleen verkeerd en in strijd met de regels, dit is marchanderen. erger wordt dat andere scheidrechters, die we correct handelen, hierdoor in moeilijkheden worden gebracht. Niet doen dus.

    Het is de nemer van de vrije worp en de spelers, die op 2.50 m afstand tegenover hem staan, toegestaan naar elkaar toe te buigen zodat de afstand tussen de uitgestoken armen minder dan 2.50 m wordt. Dit mag; de afstand tussen de voeten is bepalend.

    1. Is het toegestaan dat spelers bij een vrije worp in een sprint/hurkhouding gaan zitten om vanuit die positie zo snel in te kunnen lopen? Dat mag, mits de handen of een ander lichaamsdeel dan de voeten niet binnen 2.50 m de grond raken. Gesteld dat een verdediger bij hervatting van het spel door een fluitsignaal (FASE 3) in sprint/hurkhouding zijn handen op 2.30 m op de grond heeft of binnen de afstand neerzet, dan is dit verboden en volgt een nieuwe vrije worp.
    2. Wie mag, bij een vrije worp, als eerste positie innemen tegenover de nemer van de vrije worp? In de spetregels is niets over te vinden. In de "Aanwijzingen van de technische commissie van augustus 1995" is a. vermeld dat alleen de persoonlijk tegenstander van de nemer van de vrije worp als eerste zijn plek mag innemen. Daarna kunnen de anderen volgen. Deze verdediger mag tot het fluiten (t/m FASE 2) van positie veranderen, maar mag daarna niet opnieuw "de beste plek" claimen.
    3. Is het toegestaan dat de spelers van beide partijen, die bij een vrije worp pp 2.50 m afstand staan, de voeten over elkaar heen plaatsen? Het antwoord is: ja, mits men elkaar niet belemmert in het vrije gebruik van het lichaam, Er zijn scheidsrechters, die uit preventie - overwegingen ingrijpen. Dat steunt niet op de spelregels immers, er is geen overtreding begaan. De kans, dat een overtreding wordt begaan is overigens groot omdat lichaamscontact al gauw tot stand komt.
    4. Als een aanvaller na het nemen van een vrije worp (FASE 3) de bal naar de nemer van de vrije worp wil terugplaatsen en hierbij onreglementair wordt gestuit (tik op de arm of hand bij het kunnen aannemen van de bal; onjuist blokkeren van de bal of de bal uit de handen slaan) dan gaat een scoringskans verloren. Er dient een strafworp te volgen (' 20a, toelichting A). Veel scheidsrechters kennen een vrije worp toe; dat is dus ten onrechte. De scheidsrechter moet er goed op letten of een scoringskans verloren gaat. Daarbij maakt het niet uit of de bal reeds in de handen van de speler is of nog gevangen kan worden. Voorbeeld: een hand van de speler, die de bal zal ontvangen, wordt weggeduwd; de speler kan de bal niet vangen; de nemer van de vrije worp staat vrij. Er gaat een scoringskans verloren. Opgelet: tot op heden was de uitleg dat bij dit soort situaties eerst een vrije worp diende te volgen. Dit wordt door de technische commissie thans als onjuist en onrechtvaardig beschouwd vanwege het verloren gaan van een scoringskans.
    5. Bij een vrije worp aan de verdedigende partij mogen de spelers van de tegenpartij inlopen zodra de nemer van de vrije worp een beweging van de bal of een duidelijk zichtbare beweging met arm of been heeft gemaakt. De spelregel zegt dat de scheidsrechter mag fluiten voor spelhervatting, ook als er zich nog spelers binnen de afstand bevinden. Voorwaarde is dat het nemen van de vrije worp niet wordt belemmerd. In de praktijk komt het voor dat een tegenspeler heel erg snel inloopt, daarmee in strijd met de spelregels handelt en het de nemer bijna niet mogelijk maakt de bal te werpen naar een medespeler. Scheidsrechters dienen hier alert op te zijn.
    6. Een speler van de aanvallende partij staat gereed om de vrije worp te nemen. Mag een andere speler alsnog dat gaan doen? Antwoord: dat hangt er van af wanneer dat gebeurt.
    7. FASE 1: de arm van de scheidsrechter is nog niet omhoog. Antwoord: ja; nergens staat vermeld dat het niet mag. FASE 2: de arm van de scheidsrechter is omhoog. (Men heeft nog vier seconden om aan de eisen van de regels te voldoen). Antwoord, net als bij fase 1: het mag.

      De scheidsrechter moet goed in de gaten houden dat als gevolg van deze handelingen de vier seconden eis van deze voorbereidingsfase niet wordt overschreden. FASE 3: nadat de scheidsrechter het spel hervat met een fluitsignaal en een andere aanvaller op weg naar de plaats van de nemer van de vrije worp is, dan wordt de afstandseis overschreden en een overtreding gemaakt.

      Antwoord: het mag niet; vrije worp aan de tegenpartij.

      1. Een speler van de aanvallende partij staat gereed om de vrije worp te nemen. ieder staat op de juiste afstand. De nemer van de vrije worp verandert, vaak net voor het fluitsignaal, van positie door zijn voet(en) te verplaatsen. Gevolg is dat bij het fluitsignaal zijn verdediger binnen de afstand staat. De vraag is nu: wie handelt er onjuist: de nemer van de vrije worp of de verdediger. Deze vraag zou verschillend kunnen worden beantwoord. Om dat te voorkomen is zij voorgelegd aan de internationale spelregelcommissie, de PRC. Het is te verwachten dat binnenkort duidelijkheid wordt verschaft.
      2. Een speler van de aanvallende partij, de aangever, staat bewust op 2.25 m van de nemer van de vrije worp. Zijn verdediger staat naast hem, dus ook op 2.25 m. Vlak voor het fluitsignaal doet de aanvaller een stap naar achter; de verdediger is (altijd) te laat. Wat te doen?

      Het antwoord is dat er niets aan te doen is. De verdediger zal heel attent moeten zijn. Hij is en blijft zelf verantwoordelijk voor de afstand, die hij inneemt.

      1. Een speler van de aanvallende partij, de aangever, staat op 2.50 m van de nemer van de vrije worp, loopt langs de denkbeeldige cirkel om de nemer heen, wordt door de nemer aangespeeld en neemt een doorloop bal. Zijn tegenstander loopt echter hem aan maar is altijd te laat, terwijl
      2. "afsnijden" niet mag vanwege de 2.50 m - eis. Ook hier geldt dat de aangever geen overtreding maakt en dus correct handelt.

        Vrije worp ----- strafworp

        Bij of na het toekennen van een vrije worp kunnen twee "soorten" strafworpen worden gegeven:

        • de strafworp, die gegeven moet worden;
        • de strafworp, die gegeven kan worden.

        moet

        1. §19c: wanneer de verdedigende partij in het aanvalsvak voor de tweede keer bij dezelfde vrije worp binnen de voorgeschreven afstand staat (einde FASE 2). Er moet een strafworp volgen. Het gaat om "de verdediging" en niet om dezelfde verdediger.
        2. brief technische commissie d.d. 25 juni 1997: wanneer de verdediger in het aanvalsvak bij de vrije worp niet op de voorgeschreven afstand staat en bij de nieuwe vrije worp eerst de voorgeschreven afstand in acht neemt (FASE 2) maar na het fluitsignaal voor hervatting van het spel (FASE 3) te vroeg inloopt moet er een strafworp volgen. Het gaat hierbij om dezelfde verdediger.
        3. §19c; wanneer de verdediger in het aanvalsvak bij de vrije worp na het fluitsignaal voor het hervatten van het spel (FASE 3) voor de tweede maal bij dezelfde vrije worp te snel inloopt. Er moet een strafworp volgen.
        4. Dan is er nog de mogelijkheid, dat een verdediger in het aanvalsvak bij de vrije worp na het fluitsignaal voor het hervatten van het spel (FASE 3) te snel inloopt en dat daarna bij de nieuwe vrije worp de verdedigende partij, ongeacht wie, binnen de voorgeschreven afstand staat aan het eind van FASE 2. Er moet een strafworp volgen. Dat staat nergens, maar is logisch vanuit de redenering: altijd een strafworp indien tot twee maal toe een verdediger de verdediging binnen de afstand staat en/of komt.

        Opgelet: in alle genoemde gevallen moet dus bij de tweede keer een strafworp volgen. Het is onjuist om daarna "door te tellen" waarbij de tweede keer van de eerste vrije worp en de eerste keer van een andere, daarop volgende vrije worp samen weer "twee" oplevert en dus een strafworp. Bij deze andere vrije worp wordt opnieuw begonnen met tellen.

        kunnen

        1. §20a, toelichting B: overtredingen, door de verdediger (dus persoonsgebonden) herhaaldelijk gepleegd, waardoor een aanvaller wordt belemmerd scoringskansen te verwerven kunnen leiden tot het toekennen van een strafworp. Voorbeeld: een verdediger komt herhaaldelijk bij verschillende vrije worpen de eerste keer binnen de voorgeschreven afstand of staat niet tijdig op afstand. De scheidsrechter bepaalt wanneer hij vindt dat er sprake is van "herhaaldelijk". Dit hoeft niet of niet altijd de tweede keer te zijn. Aard en sfeer van de wedstrijd spelen een rol. een strafworp kan gegeven worden.
        2. §16g/ § 20a, toelichting B: met name tijdens FASE 1 kunnen enkele overtredingen, die onder Ophouden van het spel vallen en bij herhaling worden gepleegd, leiden tot een strafworp. In de praktijk komt dit tegenwoordig nauwelijks meer voor.

        Positie van de scheidsrechter bij een vrije worp

        De scheidsrechter moet, zeker in de aanval, de plaats waar de vrije worp moet worden genomen duidelijk aangeven. Dit houdt in dat hij zich in de nabijheid van deze plaats moet bevinden. Ook om andere redenen is dat gewenst: hij kan goed zicht houden op de uitvoering van FASE 1; hij kan bij FASE 2 alles in de gaten houden, (staande min of meer naast de nemer van de vrije worp), wat er zich "in de halve cirkel" tegenover de nemer van de vrije worp afspeelt; hij kan voor de spelers zichtbare en/of hoorbare aanwijzingen geven, de in te nemen afstand betreffende. Voordat de scheidsrechter gaat fluiten voor de spelhervatting (FASE 3) doet hij er goed aan een zodanige positie in te nemen, dat hij op drie situaties tegelijk goed het oog heeft en houdt:

        • de positie van de nemer van de vrije worp
        • de posities van de spelers op ten minste 2.50 m van de nemer en hetgeen daar gebeurt
        • de posities van de spelers on der de korf en hetgeen daar gebeurt.

        De positie van de scheidsrechter moet onder alle omstandigheden zodanig zijn dat hij in een oogopslag alles kan waarnemen zonder dat hij daarbij naar links of rechts, naar opzij of naar voren hoeft te kijken. Pas dus nooit het systeem "tennisscheidsrechter" toe, waarbij het hoofd als maar heen en weer moet gaan, dat gaat ten koste van het waarnemen. Zodra de bal in het spel is gebracht en is overgespeeld moet de scheidsrechter de paalsituatie extra goed in de gaten houden Immers, de kans is groot dat er geschoten gaat worden Hij doet er dan ook goed aan zich richting paal te begeven. Veel scheidsrechters stellen zich bij het nemen van een vrije worp niet goed op: zij blijven, zeker bij FASE I en 2 op te grote afstand van de nemer van de vrije worp en de "halve cirkel"; zij lopen na het fluiten voor spelhervatting (ver) naar achter richting middenlijn, zij gaan te vroeg bij de paal staan waardoor het zicht op het nemen van de vrije worp nagenoeg geheel afwezig is, of zij doen alsof zij bij het tennis aanwezig zijn. Aandachtspunt dus.

        Slot

        De technische commissie heeft in dit spelregelbulletin getracht zo volledig en zorgvuldig mogelijk te zijn. Daarvoor kiezen heeft geleid tot een uitgebreid bulletin. De commissie hoopt dat in een behoefte is voorzien. Reacties worden zeer op prijs gesteld.