Home
Café restaurant 't Vonder
view counter
» Bulletin nummer 6

Hinderen ....hoever mag je gaan?

Hinderen mag, zwaar hinderen mag niet. In dit spelregelbulletin wil de technische commissie nog eens precies uitleggen waar de grens tussen zwaar en te zwaar hinderen getrokken moet worden. In bulletin nr. 4 (over afhouden) is al uiteengezet dat korfbal een behendigheid en geen krachtsport is. Dit uitgangspunt vinden we in de officiële spelregels terug in de paragrafen 16i en 16j:

  • Par.16i: tijdens het spel is het verboden een tegenstander te duwen, vast te houden of af te houden;
  • Par.16j: tijdens het spel is het verboden een tegenstander te zwaar te hinderen.

Het gaat in beide regels dus over het belemmeren van de vrije beweging van de tegenstander. In 16i voornamelijk over het verplaatsen en lopen van de tegenstander, waarbij de plaats van de bal niet belangrijk is. In 16j voornamelijk over het afspelen, wanneer de tegenstander de bal in zijn bezit heeft. In dit bulletin gaat het over het laatste: speler A probeert het afspelen van de bal in de gewenste richting door speler B te verhinderen. Speler A mag proberen het werpen van de bal in de gewenste richting te bemoeilijken en uit te lokken dat speler B de bal tegen zijn hand of arm werpt. Speler A mag daarbij uitsluitend de bal blokkeren, door zijn hinderende arm te brengen in het vlak van de baan, die de werpende arm beschrijft. Ook als speler B daarbij de bal nog vast heeft en hem tegen de hand of arm van speler A brengt, is er sprake van correct hinderen. Samengevat, (zwaar) hinderen, is toegestaan, zolang de hinderende speler door bewegingen van de arm (en) de bal probeert te blokkeren, daarbij de werpende speler niet in het vrije gebruik van zijn lichaam belemmert en bij het aanraken van de bal zijn arm (en) niet meer in de richting van de bal beweegt. Waar zwaar hinderen overgaat in te zwaar hinderen, wordt aan de hand van de volgende spelsituaties verduidelijkt. In alle onderstaande situaties is er sprake van een overtreding!

  1. Frits heeft de bal in zijn bezit; Jan beweegt zijn hinderende arm naar Frits toe en brengt zijn hand tegen de bal aan.
  2. Ria wil de bal gooien. Ada beweegt haar hinderende arm niet zijwaarts maar duidelijk in de richting van de bal. Terwijl ria de bal nog op haar hand heeft, komt deze tegen Ada hand aan.
  3. Kees heeft de bal. Rob staat zo dicht tegen hem aan, dat hij hem net niet raakt. Kees is daardoor niet in staat de bal op zijn werpende hand te brengen. Als hij dat probeert, raakt de bal de schouder van Rob en valt op de grond. Hoewel Rob met zijn lichaam de bal blokkeerde is hier sprake va het belemmeren van het vrije gebruik van het lichaam.
  4. Weer Kees, maar nu onder de korf. Rob staat achter hem met zijn armen schuin voorwaarts omhoog. Kees wil Ria in het voor vak aanspelen, maar komt tijdens de werpbeweging met zijn elleboog tegen de arm van Rob aan. De worp mislukt.
  5. Marjan zet een werpbeweging in; Tineke beweegt haar armen zijwaarts in het vlak van de bal. Marjan komt met haar arm tegen de arm van Tineke aan en de worp mislukt. Ook als Tineke haar arm helemaal stil had gehouden, is hier sprake van een overtreding. Het blokkeren van de arm is immers verboden.
  6. Nog vervelender wordt het voor Tineke als Marjan door breekt. Tineke loopt achter haar en houdt een arm voor marjan. De arm wordt niet bewogen. Marjan schiet en komt met haar arm tegen de stille arm van Tineke aan. Het gevolg is een strafworp, al beweert Tineke bij hoog en laag dat zij haar arm stil hield.

Uit het voorgaande blijkt dat (zwaar) hinderen mag, zolang de hinderende speler:

  1. Slechts tracht de bal te blokkeren
  2. Zijn armen op het moment van aanraken van de bal niet in de richting van de bal beweegt en
  3. Zijn tegenstander daarbij niet in het vrije gebruik van zijn lichaam belemmert.

Als hij aan een van deze drie voorwaarden niet vol doet, is er sprake van te zwaar hinderen.

  1. Kees heeft de bal onder de korf: Rob, zijn verdediger, staat verkeerd opgesteld, d.w.z. verder van de paal af dan Kees. Kees wil schieten en Rob kan niets anders meer doen dan een arm boven kees brengen. Kees schiet en brengt daarbij de bal tegen de stille hand van Rob aan. Het schot mislukt, maar de scheidsrechter fluit niet, want rob voldeed bij het hinderen aan alle drie hierboven genoemde voorwaarden.
  2. Tineke hindert de doorbrekende Marjan, zoals in het zesde voorbeeld hiervoor beschreven. Marjan schiet en komt met de balk tegen de stille hand van Tineke aan. Nu heeft Tineke gelijk als ze beweert at dit geen strafworp is. Ze voldeed nu niet alleen aan voorwaarde b, maar ook aan de voorwaarden a en c: ze hinderende Marjan niet in het vrije gebruik van haar lichaam en blokkeerde slechts de bal.

Tenslotte nog dit. Het komt tegenwoordig nogal eens voor dat ploegen door veel kleine overtredingen van Par.. 16j proberen het tempo uit het spel van de tegenpartij te halen. Vooral in het verdedigingsvak (bij het uitspelen van de bal). De scheidsrechter kan immers toch geen strafworp geven! Even de bal aantikken, even de arm aanraken of even tegen het lichaam aan gaan staan. Scheidsrechters dienen hier streng tegen op te treden, niet alleen in de eindfase van de wedstrijd maar ten alle tijde. Zeker als men uitsluitend de bedoeling heeft het ritme van de tegenpartij te verstoren, moet de scheidsrechter deze overtredingen niet laten passeren. Bij herhalingen dient hij het zelfs als wangedrag te beschouwen en maatregelen terzake te nemen.