Home
Smit's paviljoen
view counter
» Bulletin nummer 4

Korfbal is een behendigheid en geen krachtsport. Deze stelling is elke korfballer bekend. Als voor de korfbalsport propaganda wordt gevoerd, is deze stelling in vrijwel al het propaganda materiaal terug te vinden. In de officiële spelregels vinden we dit uitgangspunt terug in de paragrafen 16 i en 16 j. Deze spelregels gaan over.

  • Paragraaf 16 i: Tijdens het spel is het verboden een tegenstander te duwen, vast te houden of af te houden
  • Paragraaf 16 j: Tijdens het spel is het verboden een tegenstander te zwaar te hinderen.

Het gaat in beide regels dus over het belemmeren van de vrije beweging ven de tegenstander. In 16 i en voornamelijk over het verplaatsen en lopen van de tegenstander, waarbij de plaats van de bal niet belangrijk is. In schemavorm kunnen we beide regels als volgt opzetten

in het vrij gebruik van het lichaam BELEMMERING - Van de tegenstander - van de vrije beweging

DE PLAATS VAN DE BAL IS NIET VAN BELANG DE TEGENSTANDER IS IN HET BEZIT VAN DE BAL
paragraaf 16 i duwen, vasthouden, afhouden Paragraaf 16 j te zwaar hinderen

In dit spelregelbulletin willen we ons beperken tot slechts een facet van paragraaf 16 i : het afhouden. Een begrip overigens dat nogal wat verwarring wekt en te pas en te onpas wordt gebruikt.We kunnen bij afhouden twee hoofdvormen onderscheiden:

  1. het afhouden door middel van het uitsteken van een lichaamsdeel naar een toe of voorbij lopende tegenstander
  2. het afhouden door middel van een onjuist gebruik van het hele lichaam

Het is duidelijk, dat hier sprake is van het belemmeren van de vrije beweging en dat afhouden alleen betrekking heeft op bewegen of lopen van een tegenstander. Werpen, schieten en vangen horen daartoe niet. Belangrijk is vast te stellen dat afhouden slechts strafbaar is als er sprake is van een daadwerkelijk actie; een uitgestoken arm in de richting van de tegenstander is niet strafbaar. Dit is alleen strafbaar als deze tegenstander daadwerkelijk in de vrije beweging wordt belemmerd

EEN VIERTAL VOORBEELDEN VAN SPELSITUATIES TER VERDUIDELIJKING.

Spelsituatie 1

De bal rolt in de richting van de zijlijn en is het laatst aangeraakt door een speler van partij a. Een speler van partij b loopt achter de bal zonder dat hij probeert de bal nog voor de lijn te bemachtigen. De speler van partij b merkt nu dat er een speler van partij a op volle snelheid op weg is naar de bal om trachten deze voor de lijn te bemachtigen. De speler van partij b gaat nu zo lopen dat hij de speler van partij a in de weg loopt zonder hem daarbij aan te raken, waardoor de speler van partij a niet in staat is om bij de bal te komen. Zolang de speler van partij b geen armen of benen gaat gebruiken en de ander dus niet belemmert in de vrije beweging, is er geen sprake van een overtreding. Het is in zo=n geval toegestaan een ander speler in de weg te lopen. Maar een plotseling in de baan van speler a komen door speler b is, als een botsing daardoor onvermijdelijk wordt, wel strafbaar!

Spelsituatie 2

Steeds meer komt het zgn.. Voorverdedigen in zwang. Hierbij plaatst de verdediger zich niet tussen aanvaller en paal, maar tussen de bal en de aanvaller. De verdediger staat ten opzichte van de bal dus voor de aanvaller. voorverdedigen is toegestaan, maar als de verdediger met gespreide armen gaat staan en daardoor de aanvaller belet hem te passeren of hem dwingt een omweg te maken, is de verdediger in overtreding. Heel simpel gesteld: als de aanvaller tegen de uitgespreide armen oploopt, is de verdediger fout en niet de aanvaller. Ook is de verdediger fout als hij met zijn armen naar achteren gaat staan om op die wijze contact te houden mat de aanvaller, dit is echter geen afhouden, maar vasthouden.

Spelsituatie 3

Aanvaller a staat bij de paal, kennelijk met de bedoeling om een doorbrekende medespeler aan te geven. a staat wijdbeens. Hij houdt de bal met twee handen vast, waarbij zijn ellebogen zijwaarts zijn uitgestoken. Hier is geen sprake van een overtreding. De aanvaller mag gaan staan zoals hij wil.

Spelsituatie 4

Een aanvaller schiet van afstand. De verdediger staat buiten armslengte afstand, maar springt naar voren in een poging de reeds vrij in de lucht zijnde bal nog aan te raken. De aanvaller profiteert van deze sprong door er langs te gaan. De verdediger voorkomt dit echter door een arm of been uit te steken. Hier is de verdediger strafbaar en er zijn drie mogelijkheden.

  1. Een vrije worp indien de bal door een verdediger wordt afgevangen
  2. Een strafworp indien de bal door een aanvaller wordt afgevangen
  3. Een strafworp indien het een herhaalde overtreding betreft ongeacht wie de bal afvangt.

In alle drie gevallen kan bovendien een (formele) waarschuwing volgen. Tot slot willen wij u nog wijzen op een andere spelregel waarin ook van afhouden sprake is: Paragraaf 16o. Wanneer een aanvaller zich opzettelijk in de baan van een directe tegenstander van een andere aanvaller begeeft, waardoor deze tegenstander niet kan volgen en zijn hinderende positie moet opgeven, houdt de eerste aanvaller af en moet hij bestraft worden.

De technisch commissie.